Een proces uit de 1e helft van de 17e eeuw
In de zoektocht naar Dibbets-gegevens werd in 2013 in het Gelders Archief te Arnhem een rechtbankproces gevonden dat werd gevoerd tussen Arnold Roest en Jan Dibbets over het bezit van een perceel land op de Hul in Herveld (Toegang 0124 inv.no. 5120).
Uit de procesdocumenten blijkt dat de families Dibbets en Roest, en vrij snel ook het gerecht, circa 20 jaar (tussen 1622 en 1641) met de kwestie doende zijn geweest!!
De procesdocumenten leveren per saldo een schat aan informatie op over onder andere familie- en burenrelaties; gebeurtenissen met invloed op het proces; getuigenverhoren en daarmee ook namen, leeftijden, beroepen en woonplaatsen van getuigen; juridisch "getouwtrek"; woordgebruik in de 17e eeuw en zo meer.
Een vraag die zeker zal opkomen is waarom de kwestie 20 jaar geduurd heeft. Laat ik beginnen met te stellen dat deze tijdsduur in de 17e eeuw niet uitzonderlijk was, alles duurde wat langer dan tegenwoordig.
Als je vond dat je serieus wat van de ander te vorderen had, legde je beslag (besaet) op de goederen van de ander en dat deed je via de Griffie van de Ambtman, waar het in de protocollen werd opgenomen. De tegenpartij diende binnen een bepaalde tijd een ontsaet te doen. Ging het over het bezit van een onroerend goed, dan schreef de advocaat een inleidinge waarvan “de weet” werd gedaan aan de tegenpartij. Deze moest dan binnen een bepaalde tijd een “uitleidinge” doen. Door het gerecht werden er getuigen gehoord. In de Overbetuwe gebeurde dat veelal bij de Ambtman, die had immers een griffie waar alles kon worden opgetekend en bewaard. Dan werd een Memorie van grieven ingediend met een groot aantal bewijsstukken. Verdere processtappen waren eventueel noodzakelijk, iedere keer weer vergezeld van nieuwe bewijzen en getuigen!!
Het adelijke gerecht wees de zaak toe aan een edelman, de referent. Die adelijke persoon had het vaak druk met zijn eigen beslommeringen, raakte stukken kwijt of had het echt te druk. Daarom zie je ook in het proces Roest-Dibbits regelmatig en dus ook vele jaren staan:........... wacht........... verzoeken uitspraak........... wacht. De wacht moest je betrekken, want als je verstek liet gaan was het proces afgelopen. Maar de feitelijke behandeling liet lang op zich wachten. Uiteindelijk kwam dan de uitspraak in 1641. Hoewel je, ook toen al, in beroep kon gaan bij het Hof is dat bij het proces Roest-Dibbits voor zover ik kan vinden echter niet gebeurd. Wel is er blijkens de uitspraak een rechtsvraag gedaan en inderdaad heeft het Hof in 1630 sententie gegeven. De zaak sleepte zich toen nog 11 jaar voort!
Waar ging het nu om in het proces Roest-Dibbits? Eenvoudig gezegd over het bezit, het gebruik en de opbrengst van een grondstuk, anderhalven morgen groot, gelegen op de Hull en grenzend aan de Breede Straat.
In april 1622 schenkt grootmoeder Marij Horssens een perceel land op de Hull aan haar drie kleindochters met de namen Gerritgen, Luijtgen en Jaecksken Gerrits (de laatste getrouwd met Jan Dibbets). De zussen krijgen daarbij ieder een derde deel. Maar er was nog een bijzondere bepaling. Bij sterven zonder "lijffs-erven" gaat het deel over naar overblijvende zusters en uiteindelijk naar de langstlevende zuster (Acte in ORA OB 0193-104 f 47). Een andere opvallende bijzonderheid is dat Marij Horssens het perceel land weer terugpacht van de dochters en blijft gebruiken. De advocaat van Roest stelt dan ook dat het niet om een echte schenking ging: in gewoon Nederlands: je kan niet tegelijk weggeven en houden! Roest stelt dan ook later in het proces dat volgens hem het perceel is vererfd op zijn vrouw, de dochter van Marij Horssens.
Grootmoeder Marij Horssens overlijdt in februari 1625 en later in dat jaar 1625 overlijdt de 1e kleindochter Gerritgen en "breekt de hel los".
Rond die tijd wordt Nederland jarenlang geteisterd door een ziekte, een aantal schrijvers noemt de pest. In 1627 wordt in een acte Jan Dibbits momboir over zijn zoon genoemd, dat betekent dat zijn vrouw Jaecksken Gerrits inmiddels ook overleden is! Vervolgens blijkt ook Luijtgen, de 3 e kleindochter, in 1627 te zijn overleden.
Van Arnolt Roest wordt gemeld dat hij rond die tijd ernstig ziek is, waardoor het land zelfs enige tijd onbebouwd is blijven liggen. En tenslotte blijkt in 1628 ook Jan Dibbits te zijn overleden.
De zussen Gerritgen en Luijtgen woonden in bij Arnolt Roest. Arnolt had in feite dus het gebruik en de opbrengst van twee derdendeelen van de Hull. Na het overlijden van Gerritgen (1625) neemt Jan Dibbits bij de volgende oogst echter de helft van het derde deel van Gerritgen af en probeert het bezit geregistreerd te krijgen op naam van zijn, inmiddels, geboren zoontje Jan !! (dat deed je door de buurmeesters daartoe te verzoeken).
Arnolt Roest ziet de bui al hangen, de opbrengst en het beheer van twee derdendelen gaan zijn neus voorbij. Hij legt beslag (doet besaet) op de goederen van Jan Dibbits en probeert met meerdere en verschillende argumenten zijn gelijk te krijgen. Onder andere had Arnolt Roest, zoals we boven zagen, de stelling geponeerd dat de Hull, na de dood van genoemde grootmoeder was vererfd en aanbestorven aan zijn vrouw Rutgera Luijtgens (dochter van Mary Horssens en Luijtgen Hendricks). Ook bewijst hij dat hij al een jaar en een dag het perceel in gebruik heeft.
Jan Dibbits moet ontsaet gaan doen, anders kan hij zelfs zijn eigen haver niet meer verkopen. Een lang proces neemt een aanvang (1626- 1641) en gaat beide partijen vast veel geld kosten. Blijkbaar was de haver, het boekweit en de boomgaard dit waard.
Dat een dergelijk proces ook méér dan normale emoties losmaakte wordt duidelijk uit een aantal getuigenissen dat Jan Dibbits, met een mes in de hand, bij het huis van Arnolt Roest (deze was niet thuis) gewacht heeft en voortdurend dreigende taal sprak en ook zei dat hij het mes in zijn hart zou steken!!
In 1632 gelast het gerecht Overbetuwe een comparitie (partijen moeten er als vrienden uit komen onder leiding van een z.g. commissaris). Arnolt Roest wil van Feus Dibbets als momboir van de erfgenamen van Jan Dibbits een inventaris van de bezittingen ontvangen. Dit vraagt hij zodat op een later tijdstip tenminste duidelijk is dat er geld te halen valt als de definitieve uitspraak is gedaan en er een uitvoerbaar vonnis is.
Over en weer dragen partijen getuigen aan en vragen steeds om een oordeel. Aan Dibbet Janssen wordt gevraagd of hij weet waar de zussen hebben gewoond en in welke volgorde ze zijn gestorven. Uiteindelijk komt in 1641 het definitieve vonnis: de vordering van Arnolt Roest wordt afgewezen, (hij doet een quaet besaet) en Feuws Dibbits, ook in het magescheid van 1649 genoemd als momboir van Jan Janszoon Dibbits, krijgt een goed ontsaet toegewezen. De eis van Arnolt Roest is niet ontvankelijk!
Was het hier mee dan gedaan? Nee zeker niet. Vanaf 1651 probeert een achterkleindochter van Marij Horssens: Maria Vermeer in het bezit te komen van dit perceel. Zij was een kleindochter van Rutgera Luitgens uit haar 2e huwelijk met Jan Vermeer.
Als illustratie van een juridische tekst en de transcriptie daarvan is een voorbeeld toegevoegd. Het betreft de einduitspraak van het proces. (ORA OB 0193-106-f61v Septembris 1641):
Sententie.
In saecken voor deze Adelicken Gerichte tot Elst ongedecideert hangende tussen Aerndt Roest Scholtus tot Valburch als man ende Momber sijner Huisfrouw Rutger Luitgens, Aenlegger ende Geexcipieerde ter eenre, ende Feuws Dibbits verweerdersche ende Excipiente ter andere sijde: Gesien d"Aenspraeck, Exceptie, Andtwort, Excepcioneell ende Repliccen ten principalen, mitsgaders Duplicqen mit allen bij gevoegden bewijs, schijn und bescheit, ende voorts gelet hebbende op all hetgeene in desen te letten stonde Joncker Bartholt van Gendt Heer tot Wolfferen ende etc: Ordelwieser mit gevolgh van Ridder ende Knechten, naer gepleegden advis van Rechtsgeleerden doende recht admitteert d' exceptie transactionis et liquidationis, ende verclaert Aenlegger in sijnen Eisch ende conclusie niet te sijn ontfanckelijck, ende dat oversulx bij Verweerdersche een goed ontsaet, ende daer tegens bij Aenlegger een quaet besaet sije gedaen, Mit compensatie van costen.
22 Septembris 1641.
Ter afsluiting de vermelding dat voor mij de belangrijkste vondst uit de procesteksten toch wel het gegeven was dat de naam van de zoon van het echtpaar Jan Dibbits en Jaecksken Gerrits: Jan Janszoon Dibbits, geboren omstreeks 1625. Dat betekent o.a. dat hij in 1649 de mondige (=volwassen) leeftijd had of bereikte en dat past dan weer bij het moment van erfenis-deling (magescheit) van september 1649 (zie aldaar).