Steenkolenmijn-industrie in Zuid-Limburg
Het is voor de meeste mensen in Nederland een vreemd fenomeen. In de periode 1900-1974 is in Zuid-Limburg sprake van een moderne steenkolenmijn-industrie.
Mijn grootvader, mijn vader, mijn ooms, mijn broers en ik zijn daarbij betrokken geweest.
Op een andere plek heb ik allerlei kunnen vertellen over de tabaksteelt waar meerdere voorouders hun brood mee verdienden, zo wil ik dat ook doen over de mijnwerkers en de steenkolenmijn-industrie.
Het is ook een herinnering aan hen die een van de zwaarste beroepen hadden die Nederland heeft gekend.
Mijn grootvader Theodorus (geb. Dodewaard 25-09-1883) verhuist in het oorlogsjaar 1917 vanuit Duisburg-Meiderich (Ruhrgebied Duitsland) naar Hoensbroek (Zuid-Limburg, Nederland).
Hij gaat werken als houwer ondergronds bij Staatsmijn Emma. Het feit dat hij als vakman -zijnde houwer- aan de slag kon, duidt erop dat hij reeds ervaring in dit werk had opgedaan. Anders gezegd ook in Duisburg-Meiderich of omgeving zal hij ondergronds reeds in een mijn gewerkt hebben. Overigens was de vrouw, waarmee mijn grootvader in 1906 was getrouwd, een dochter van een (Duitse) mijnwerker.
Ontstaan en ontwikkeling
De winning van steenkool komt, in het grensgebied met Duitsland en het latere België, al vanaf de veertiende eeuw in geschriften naar voren. Rond 1670 is het eerste reglement voor de mijnontginner in Nederland uitgevaardigd. Er vond toen, op kleine schaal, ontginning plaats direct aan de oppervlakte.
Van moderne ontginning is sprake vanaf 1890 en naast de aanwezige Domaniale Mijn uit 1815, ontstonden er uiteindelijk in de periode 1890-1928 nog eens zeven particuliere mijnen en vier staatsmijnen.
Het waren in de beginjaren vooral buitenlandse ondernemers die met buitenlands kapitaal een begin maakten met de moderne mijnindustrie in Zuid-Limburg.
Aanleg en exploitatie van de mijnbedrijven vergen veel geld en veel arbeid. Alleen al de bouw van schachten en ondergrondse werken duurt 5 à 7 jaar en voordat een mijn volledig in productie is zijn 10 tot 15 jaar verstreken.
De Limburgse mijnen hebben in vergelijking met elders steenkoollagen die relatief dun zijn, veelal onzuiver en met een ongelijkmatig verloop. Verder neemt, naarmate men dieper komt, zowel de temperatuur en de gebergtedruk toe, hetgeen extra en vaak kostbare voorzieningen vereist. Het beheersen van het overvloedige water hoorde er onlosmakelijk bij, het was pompen of verzuipen.
Om concurrerend te blijven, neemt vanaf 1950, de mechanisatie extreem toe. Het werk voor de houwer wordt daarmee wat aantrekkelijker, hetgeen bij de werving van nieuwe mijnwerkers een positieve factor zou kunnen zijn.
Voor beeldvorming nog enige cijfers over de productie en verbruik in tonnen:
Het Nederlands verbruik van steenkool was in 1913 : 10.020.000 ton.
Productie : 1913 1.902.000 ton
1937 14.321.000 ton
1952 12.500.000 ton
1964 11.479.893 ton
Waaruit bestaat een mijn en hoe ziet een mijn eruit
Het mijnbedrijf was een bijna-continubedrijf, er werd dan ook in drie diensten gewerkt (dag-; middag-; en nachtdienst). De dagelijkse afdaling met enorme liften betekende in korte tijd grote aantallen arbeiders vervoeren. In 1952 betekende dit dat bij de Oranje Nassau I per dienst 450; bij Stm.Wilhelmina 1020 en bij Stm.Emma 1850 mijnwerkers via de lift afdaalden. Bij het personenvervoer van Stm.Emma was de liftsnelheid 30 km/uur, bij het materiaalvervoer nog hoger!
De steenkolenmijn is vergelijkbaar met een ondergrondse stad. Deze stad bestond dan wel uit vier, vijf gangenstelsels, verdiepingen genaamd, die onder elkaar lagen. Stm. Emma bestond uit vijf verdiepingen. De eerste op een diepte van 325 meter, de volgende op 410 meter, daarna nog de verdiepingen op 546, 700 en 810 meter.
Zou je één verdieping uit die mijn kunnen nemen en op Amsterdam leggen dan bereikten de uiteinden van het gangenstelsel de gemeentegrenzen van Amsterdam ! De totale lengte van alle gangen bij Stm.Emma bedroeg ongeveer 200 kilometer. De verticale "gangen", schachten genaamd, waren de verbinding tussen het ondergrondse deel en het bovengrondse deel. Elke steenkolenmijn had minimaal twee van deze schachten. Door de ene werd de afgewerkte lucht uit de mijn gezogen, door de andere stroomde de verse lucht de mijn in (ventilatie-systeem).
Lucht, water, energie (electriciteit en perslucht), vervoer van mensen, transport van gewonnen steenkool, machines en ondersteuningsmateriaal, alles moest door deze schachten.
Kolen en stenen
De productie van steenkool werd getransporteerd en kwam via de schacht bovengronds. Oorspronkelijk werd in een sorteerinrichting deze massa verdeeld naar grootte en vervolgens op een"leesband" gebracht. Hier werden stenen, hout, ijzer en ander afval handmatig uit de stroom steenkolen verwijderd. Later in de tijd gebeurde dit volledig machinaal in de zeverij en wasserij. De vrijgekomen stenen werden naar de steenberg, als afval, getransporteerd of terug gebracht naar ondergronds om te dienen als vulmiddel.
Hiërarchie en opleiding
De hiërarchie in het mijnbedrijf werd wel vaker vergeleken met die van het leger, ook wel omschreven als een commandobedrijf. Mede vanuit het oogpunt van veiligheid was er waar mogelijk sprake van sterke controle.
De top, directie en hoger kader werd niet intern opgeleid. Dit waren de mijningenieurs die veelal in Delft danwel Aken een academische opleiding hadden genoten.
De opzichters die het middenkader van de mijn vormden werden veelal geselecteerd uit de aanwezige bezetting en opgeleid aan de Mijnschool in Heerlen. Een opzichter kon carriere maken en meesteropzichter, hoofdopzichter of zelfs Chef Ondergronds Bedrijf worden.
Pas na het houwersexamen was een mijnwerker een volwaardig ondergronds arbeider. Hij kon zich specialiseren tot kool-, steen-, schacht-, of schiethouwer.
Bankwerkers en electriciens waren veelal afkomstig van de LTS en daarna volgden zij, binnen het bedrijf, een 2-jarige Technische Vakschool.
Mijn eigen ervaring in de wachtdienst
Tijdens de zondag was er, uitzonderingen daargelaten, géén kolenproductie en was de mijn grotendeels verlaten. Er bestond een systeem van wachtdienst om, bij bijzonderheden, wel te kunnen ingrijpen. Zo wil het geval dat ik, tijdens de kerst, wachtdienst had als electriciën.
Prompt kreeg ik op 2e Kerstdag 11.00u een telefoontje of ik naar de mijn wilde komen.Er was een melding van te hoge waterstand op een plek in een toevoergalerij op de 410 m verdieping.
Dat betekende in je eentje afdalen met de lift, je met de fiets op het spoor ruim twee kilometer verplaatsen en vervolgens lopend naar de aangegeven plaats in de toevoergalerij.
De afspraak daarbij is om op een aantal plaatsen telefonisch kontakt te hebben met de meldkamer bovengronds en elkaar op de hoogte te houden van de vorderingen.
Aangekomen op de plaats des onheils bleek er over een lengte van 20 meter een hoeveelheid water te staan met intussen een diepte van ca 75 centimeter.
Na enig zoeken bleek een vasthangende vlotter in een pompbuis oorzaak te zijn voor het niet werken van de pompinstallatie. Intussen was het 15.45u en was ik, bijna tot mijn middel, door en door nat. Op de terugtocht, op de fiets in de steengangen, werden mijn broekspijpen stijver en stijver, aangevroren door de wind en de temperatuur rond het vriespunt.
In het badlokaal heb ik, veel langer dan normaal, onder de warme douche gestaan en meer dan eens hartgrondig dit klusje verwenst !! Het was 18.30u toen ik de kerstboom thuis weer zag.
Beloning
De loonontwikkeling en arbeidsvoorwaarden zijn onderwerpen geweest die met grote regelmaat op de agenda hebben gestaan van werkgevers, vakbonden en mijnwerkers.
Conflicten zijn daarbij niet uitgebleven.
Algemeen gesproken kan men zeggen dat mijnwerkers betaald kregen naar rato van hun inbreng in de klus. Dat houdt ook in dat er tussen de diverse mijnarbeiders grote verschillen bestonden in de beloning. Als gerealiseerde productie een belangrijke factor is dan betekent
dat ook dat de verdienste sterk kan fluctueren. Het houwersloon, mag je zeggen, is altijd wel
hoger geweest dan het loon van de geschoolde arbeider elders in de industrie in Nederland. Een indicatie geven onderstaande cijfers :
Gemiddeld dagloon mijnen Gemiddeld dagloon industrie
1913: 2,64 1,82
1930: 5,38 3,88
1939: 5,06 3,27
De veelheid van functies, akkoordloon, allerlei toeslagen niet behorend tot het "vaste" basis-loon, keuzes van de bedrijfsleiding bij het presenteren van cijfers in deze, maken het uiterst moeilijk om aan vegelijking te doen !!
Buitenlanders
Om allerlei redenen zijn er vanaf de start tot het einde van de mijnindustrie altijd buiten-landers als arbeidskrachten aanwezig geweest. Als voorbeeld: in 1930 waren 30% van alle arbeiders, niet-Nederlanders.
De aantallen per nationaliteit wisselden weliswaar in de tijd, maar er waren Duitsers, Polen, Joegoslaven, Belgen, Oostenrijkers, Tsjechen, Italianen, Hongaren, Russen, Spanjaarden, Grieken en Marrokanen. In bepaalde perioden kregen zij jaarkontrakten om, in geval van slechte bedrijfsreultaten, relatief makkelijk ontslagen te kunnen worden. Er zijn echter ook vele voorbeelden van langdurige dienstverbanden van buitenlanders.
Betekenis
Op het hoogtepunt van de mijnindustrie in Zuid-Limburg (ca 1955) waren er ca 58.000 mijn-werkers werkzaam. Hierdoor waren het bestaan, de bestaanszekerheid en de toekomst-
verwachting van ca 270.000 inwoners gefundeerd op de mijnindustrie. In de mijnstreek bedroeg het inwoneraantal ca 385.000 dat wil dus zeggen dat 70% van de bevolking direct of indirect afhankelijk was van de steenkoolwinning !
Familie-betrokkenheid
Zoals gezegd trad grootvader Theodorus in dienst bij Stm. Emma in october 1917, hij zou vervolgens ruim 26 jaar, als houwer en stutter, ondergronds werkzaam zijn. In 1944, 60 jaar oud, ging hij met leeftijdpensioen.
Hij had 7 zonen en die zijn korter of langer, allen werkzaam geweest bij Stm. Emma. Vijf van de zeven zonen hebben ondergronds gewerkt en samen 110 ondergrondse dienstjaren voor Stm.Emma gewerkt. Alle vijf hebben zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, weliswaar veelal niet ondergronds.
Persoonlijk ben ik 8 jaar ondergronds werkzaam geweest, waarvan 5 jaar als electriciën en 3 jaar als electrotechnisch opzichter. Ook twee broers van mij zijn nog enkele jaren ondergronds in de kolenwinning werkzaam geweest.
Het is vanuit de kennis van familie-relaties mijn inziens interessant om te vermelden dat nakomelingen van Antonius, een broer van mijn grootvader en geboren 15-01-1886 te Dodewaard, ook in het mijnbedrijf terecht zijn gekomen ! Deze familie-tak is overigens, tot op de dag van vandaag, woonachtig in Duitsland.
Johannes (geb.15-05-1911 te Duisburg-Meiderich), zoon van genoemde Antonius, moest als gevolg van een bombardement in 1945, waarbij zijn huis volledig was verwoest, Duisburg verlaten. Hij kwam terecht in Ibbenbühren, niet ver van Osnabrück, en ging daar ondergronds werken in een van de kolenmijnen ter plaatse.
Zijn zoon Albert volgde zijn voorbeeld door ondergronds als electriciën te gaan werken en is via opleiding doorgestroomd naar electrotechnisch opzichter in datzelfde bedrijf. In 2002 werd hij met vroegpensioen gestuurd. Deze Albert bezit nog steeds de Nederlandse nationaliteit en staat, via e-mail, met mij in kontakt. Hoe groot kan toeval zijn ???
Afbeeldingen en foto's uit :
- Concessiegebied: J.Venner Geschiedenis van Limburg dl.2 2001
- Mijndoorsnede: Gedenkboek Staatsmijnen 50j. bestaan 1952
- Handpijler: Fotocollectie Staatsmijnen/DSM Reg.Hist.Centrum Limburg (RHCL)
- Mechanische pijler: Fotocollectie Soc.Hist.Centrum voor Limburg (SHCL)