Het magescheit van 1649
Een magescheit is de scheiding (deling) van de boedel (het bezit) tussen de magen (verwanten) na een overlijden. In deze aktes wordt er bezit gedeeld tussen Gertje Janssen Dibbits, Trijnecken Janssen Dibbits en Jan Janssen Dibbits. Hier zijn verder direct betrokken Henric Gerrits als weduwnaar en boedelhouder van Gertjen Janssen Dibbits en Peter Peters als man en momber van Trijneken Janssen Dibbits.
Dit magescheit is in meerdere opzichten belangrijk in het voorouder-onderzoek en wel omdat er a) een beschrijving in voorkomt van de ligging van het perceel van 2½ morgen door het vermelden van de belendingen en b) sprake is van een thijns (soort erfpacht) waarmee het perceel bezwaard is, deze thijns bedraagt 3 paar hoenderen, elk jaar af te dragen aan het huijs Loenen.
De combinatie van a) en b) blijkt vervolgens overeen te komen met meerdere aktes uit de 18e eeuw (zowel de perceelduiding als de thijnsbeschrijving). Het betreft met name aktes uit 1768 waarbij sprake is van verkoop van erfdelen door broers en zussen aan Derk Debbits en Johanna van Genth. Eerder kwam dit al voor in 1746 en 1723 bij de overdracht van erfdelen door zussen en een broer aan Jan Cornelissen Dibbits en Jenneke Crechting.
In de protocollen van bezwaar (ORA 0193-301, fol.191) zijn twee aktes ingeschreven die over dit magescheid gaan:
Bij magescheit van den 14e september 1649 opgericht tussen Henrick Gerrits weduwnaer ende boedelhouder van zaliger Gertjen Janssen, ter eenre, ende Peter Peterssen voor hem selven en als man en momber sijner huisvrouw Trijneken Janssen, mitsgaders Jan Janssen Dibbits ter andere sijde, ten overstaen van daghholderen en vrunden sijn voors: Peter Peters en Jan Janssen bij getogene lotinge te deel gevallen huijs, hoffstadt, bomgart ende bouwlant, groot omtrent 2½ mergen lants, gelegen tot Hervelt aen de Breedestraet, palende oostwart de Breedestraet, suitwart de Aelsterdijck, westwart Geckvoirtstraetjen, en noortwart Sander Verburght. Wesende beswaert mit drie paer hoenderen thijns aen den huijse tot Loenen. Nochvijff mergen boulants, genoemt die Heuningen, mede onder Hervelt gelegen, palende oostwart de Bredestraet voorsen, suitwart die overste-lieutenant Polman, westwart Geckvoirtsstraetien, noortwart het Convent van den Hessenbergh. Beswaert mit ses stuiver tijns aen 't welgemelte huijs tot Loenen etc.
Ao: voors: den 20e november is bij scheidinge en deilinge tussen de voors: Peter Peters qualitate qua en Jan Dibbits ten overstaen van sijne momberen Dibbit Janssen, Frederick van Welij ende Aelbert Janssen ende erffpechteren Jan Hendricks ende [NN] Janssen, gemelte Jan Janssen het voors: huijs ende hoffstadt, bomgart ende bouwlant, ende voornoemde Peter Peters de voorssen vijff mergen lants, te deel gevallen. Mits dat Jan Janssen aen voors: Peter sall uitkeren eene 375 gulden Hollants ende aen d'huisvrouw een rosennobel in specie mit eenen silveren beker, weert vijff rijcxdalers etc.
En stont achter op den brieff dat den 2e juni 1651 daerop was betaelt 353 gulden 2 stuiver 8 penningen mit den rosennobel en silveren beker off 13 gulden gelt daervoor, sulcxs dat noch rest 21 gulden 14 stuiver 8 penningen.
De eerste akte handelt alleen over het ten deel gevallen stuk aan Peter Petersse en Jan Dibbits. Welk deel Henrick Gerrits kreeg is dus niet duidelijk, dat zou de Hull of Gennepsenkamp kunnen zijn, waar vroegere Dibbitsen zijn genoemd.
Jan Dibbits krijgt 2,5 m. met de volgende ligging: O: Breedestraet, S: den Aelsterdijck, W: Geckvortstraetjen, N: Sander Verburght, bezwaard met 3 hoenderen tijns aan den huijse tot Loenen.
Peter Peters krijgt 5 m. genaamd de Heuningen, met als ligging: O: den Bredestraet, S: Lt.Polman, W: Geckvoortstraetjen N : het Convent van de Hessenbergh, bezwaard met 6 stuijvers tijns aan het huijs tot Loenen. Jan Dibbits moet tevens nog extra betalen aan zijn zus Trijneken Janssen Dibbits, blijkbaar was het stuk van Jan een stuk meer waard dan het land in de Heuningen.