Theo Dibbets
dibbitsoen

Tabaksplanters.

 

Uit mijn onderzoek blijkt dat zeker vier generaties Dibbets in de periode 1750-1890 doende zijn geweest met de tabaksteelt. Wellicht dat ook vóór 1750 daarvan sprake was. Voldoende reden dus om iets meer te vertellen over de teelt van tabak in de Overbetuwe.

 

In de jaren vóór 1650 was er vermoedelijk nog geen of weinig tabak in Overbetuwe, de verspreiding ging echter snel en in 1668 waren al tientallen mensen er mee doende. In 1740 nam tabak 4 tot 6% van het gewassenarsenaal in Overbetuwe in beslag.

 

Binnen de Overbetuwse landbouw nam het een aparte positie in, het gewas werd op kleine percelen en doorgaans door arbeiders, ambachtslieden en keuterboeren verbouwd. De meeste grote boeren hielden zich er niet mee bezig. In tegenstelling tot de meeste andere gewassen was tabak een zeer arbeidsintensief gewas.

 

De basis-bewerkingen bestonden uit spitten (zowel in nov/dec als in mrt/april), bemesting inbrengen (mrt/april), jonge planten voorkweken in broeibakken (apr/mei) en dan uitplanten op bedden. Overige werkzaamheden, maar zeker niet minder belangrijk, bestonden uit vaak en uitgebreid onkruid wieden, slakken en rupsen verwijderen, toppen, breken, tabaksblad drogen op het land en daarna in de schuur (zéér belangrijk), tabakszaad winnen, stapelen van het blad en vervoer naar de handelaar.

 

De tabaksteelt, die het hele gezin een groot deel van het jaar werk kon geven, gaf de mogelijkheid tot een stuk zelfstandigheid, boer zijn op een gezinsbedrijf. Om een morgen (0,85 ha) naar behoren te bewerken, waren van april tot october drie arbeids-krachten nodig, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. De arbeidstijd bedroeg toen gemiddeld veertien uur per dag! Ter vergelijking, voor een morgen tabak was acht maal méér arbeid nodig dan voor een morgen graan.

Doordat vele werkzaamheden in de tabaksteelt werden gedaan door vrouwen, kinderen, bejaarden en gebrekkigen (goedkopere arbeidskrachten) kon de teelt, ook in wat slechtere tijden, toch nog lonend worden gerealiseerd.

 

Tabak was een riskant gewas, kunde en ervaring waren een vereiste, de oogst kon gemakkelijk mislukken, de markt was ook nog eens grillig. Voor een grote boer die arbeidskrachten moest inhuren was de tabaksteelt absoluut niet lonend, méér profijt had hij door grond te verpachten aan een tabakker.

 

Uit vergelijkingen, op meerdere momenten, blijkt dat tabak vier tot vijf maal per hectare méér opbracht dan tarwe. Tarwe werd vooral geteeld door de echt grote boeren. Uit de periode 1781-1790 is bekend dat een hectare tabak 280 tot 350 gulden bruto per jaar opbracht, was dat nu véél of weinig? De 350 gulden wordt in perspectief geplaatst door enkele vergelijkingen te maken:

* Voor 50 gulden kon men toen een gemiddeld paard of melkkoe kopen.

* De belangrijkste boerenknecht, op een groot boerenbedrijf met meerdere knechten en meiden kon ca 100 gulden per jaar verdienen. Hij kreeg dan wel ook kost en inwoning.

* 350 gulden van 1780 komt overeen met 3000 euro in 2006.

 

Een voorbeeld van de véél voorkomende situatie dat, naast tabaksplanter, ook nog andere beroepsactiviteit werd uitgeoefend, komt ook in onze gegevens voor. Bij Johannes (Jan), gehuwd met Martina van Merwijk, komt als beroeps-aanduiding op verschillende momenten zowel voerman als tabaksplanter voor (1820).

 

De bovenstaande informatie is deels ontleend aan publicaties van J.H. van Swieten, Dr.H.K. Roessingh, G. den Hartog.